Persbericht  
Uitgegeven door de Griffier van het Hof  
ECHR 121 (2019)  
04.04.2019  
EHRM brengt zaken aangespannen door familieleden van de slachtoffers van  
de neergehaalde Malaysia Airlines vlucht MH17 ter kennis van Rusland  
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 3 april besloten om de zaken Ayley e.a. t.  
Rusland (nr. 25714/16) en Angline e.a. t. Rusland (nr. 56328/18) te communiceren1 aan de  
Russische regering, en heeft die regering verzocht om schriftelijke opmerkingen in te dienen.  
De verzoekschriften werden ingediend door nabestaanden van personen die zijn omgekomen bij het  
neerhalen van vlucht MH17 boven het grondgebied van Oost-Oekraïne op 17 juli 2014.  
Zij stellen met name dat Rusland direct dan wel indirect verantwoordelijk is voor de destructie van  
het vliegtuig en dat Rusland nagelaten heeft om de ramp goed te onderzoeken of om mee te werken  
met andere onderzoeken.  
Rusland heeft herhaaldelijk elke betrokkenheid bij de destructie van het vliegtuig ontkend.  
Een aan de partijen voorgelegde weergave van de feiten, met vragen van het Hof, is in het Engels  
beschikbaar op de website van het Hof. De uitspraak van het Hof zal in een later stadium volgen.  
De verzoekers zijn 380 individuen uit Australië, België, Canada, Duitsland, de Filipijnen, Hong Kong,  
Indonesië, Israël, Maleisië, Nederland, Nieuw-Zeeland, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten  
en Vietnam.  
In juli 2014 vonden hevige gevechten plaats tussen de strijdkrachten van de Oekraïense regering en  
separatistische troepen in Oost-Oekraïne. Volgens de verzoekers stonden de separatisten in Oost-  
Oekraïne ofwel onder de controle van de Russische autoriteiten of opereerden zij in zeer nauwe  
samenwerking met hen.  
Malaysia Airlines vlucht MH17 vertrok op 17 juli 2014 vanuit Amsterdam naar Kuala Lumpur. Aan  
boord waren 283 passagiers en 15 bemanningsleden. Om 15:20 uur Midden-Europese tijd is het  
vliegtuig, terwijl het boven Oost-Oekraïne vloog, in de lucht uiteen gevallen. Iedereen aan boord is  
om het leven gekomen.  
Omdat de meeste mensen aan boord de Nederlandse nationaliteit hadden, is het vervolgens  
ingestelde onderzoek naar de oorzaken van de ramp, met instemming van Oekraïne, geleid door de  
Nederlandse Onderzoeksraad voor Veiligheid (een onafhankelijk bestuursorgaan). In zijn  
eindrapport, dat in oktober 2015 werd uitgebracht, concludeerde de Onderzoeksraad dat het  
vliegtuig was geraakt door een raket die was gelanceerd door een Buk luchtdoelraketsysteem vanaf  
een locatie in Oost-Oekraïens gebied.  
Tegelijkertijd startte een team, bekend als het “Joint Investigation Team” (JIT), bestaande uit  
politieagenten en officieren van justitie uit Australië, België, Maleisië, Nederland en Oekraïne, een  
strafrechtelijk onderzoek dat nog steeds loopt.  
De belangrijkste voorlopige bevindingen van het JIT, die werden gepresenteerd in 2016 en 2018,  
waren dat vlucht MH17 werd neergeschoten door een BUK-raket, afgevuurd vanuit een veld in het  
Pervomaiskyi gebied, dat destijds onder controle stond van pro-Russische separatisten. De raket was  
1 In overeenstemming met artikel 54 van het Huishoudelijk Reglement van het Hof, kan een Kamer bestaande  
uit zeven rechters of een President van een Sectie besluiten om een regering van een Verdragsluitende Staat in  
kennis te stellen van het feit dat een verzoekschrift tegen die Staat bij het Hof aanhangig is (ook wel de  
“communicatieprocedure” genoemd).  
gelanceerd door apparatuur die vanuit Rusland was gebracht en vervolgens weer was  
geretourneerd. De apparatuur was afkomstig van een eenheid van de strijdkrachten van de  
Russische Federatie.  
Op basis van de bevindingen van het JIT hebben de Nederlandse en Australische regeringen in mei  
2018 verklaard dat zij de Russische Federatie verantwoordelijk houden voor het neerhalen van  
vlucht MH17. De Russische Federatie heeft iedere betrokkenheid bij de ramp ontkend en heeft  
Oekraïne er de schuld van gegeven.  
Verzoekschrift nr. 25714/16 is op 6 mei 2016 ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de  
Mens, terwijl verzoekschrift nr. 56328/18 is ingediend op 23 november 2018.  
In beide zaken beroepen de verzoekers zich op artikel 2 (het recht op leven) van het Europees  
Verdrag voor de Rechten van de Mens met de klacht dat Rusland, direct of indirect, verantwoordelijk  
is voor de dood van hun familieleden en dat Rusland zich niet heeft gehouden aan de op die Staat  
rustende verplichting om een effectief onderzoek uit te voeren of om mee te werken met andere  
onderzoeken.  
Voorts klagen de verzoekers over een gebrek aan medewerking van Rusland aan het internationale  
onderzoek waarbij zij zich beroepen op artikel 3 (verbod op onmenselijke of vernederende  
behandeling).  
De verzoekers in de tweede zaak klagen daarnaast dat artikel 6 (recht op een eerlijk proces), artikel 8  
(recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven) en artikel 13 (recht op een daadwerkelijk  
rechtsmiddel) van het Verdrag zijn geschonden.  
Dit persbericht is een document opgesteld door de Griffie. Het is niet bindend voor het Hof.  
Beslissingen, uitspraken en andere informatie over het Hof kunnen worden geraadpleegd op  
www.echr.coe.int. Om persberichten van het Hof te ontvangen, kunt u zich hier abonneren:  
www.echr.coe.int/RSS/en of ons volgen via Twitter @ECHR_CEDH.  
Contactgegevens pers  
echrpress@echr.coe.int | tel: +33 3 90 21 42 08  
Patrick Lannin (tel: +33 3 90 21 44 18)  
Tracey Turner-Tretz (tel: +33 3 88 41 35 30)  
Denis Lambert (tel: +33 3 90 21 41 09)  
Inci Ertekin (tel: +33 3 90 21 55 30)  
Somi Nikol (tel: +33 3 90 21 64 25)  
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is in 1959 in Straatsburg opgericht door de  
lidstaten van de Raad van Europa om vermeende schendingen van het Europees Verdrag tot de  
Rechten van de Mens uit 1950 te behandelen.  
2